WAT IS EEN KASTEEL, BUITENPLAATS OF LANDGOED?

Foto's: Erwin Zijlstra en Landgoed De Poll.

Een kasteel is een middeleeuws gebouw, gebouwd tussen 500 en 1600, waarin verdediging en bewoning worden gecombineerd. Belangrijke kenmerken van verdedigbaarheid in de middeleeuwen zijn grachten, ophaalbrug(gen), poorten, torens en muurwerk (ter indicatie: met een minimale dikte van 60-80 cm in het opgaande werk). De bewoners behoorden tot de adel of aristocratie. In latere eeuwen is een kasteel vaak getransformeerd tot buitenplaats, maar ook kwam het voor dat het een fort werd (bijvoorbeeld Loevesteijn).

 

Een buitenplaats is een van oorsprong tweede huis op het platteland (naast een huis in de stad), dat in eerste instantie geen permanente woonfunctie had en gebruikt werd voor vermaak, recreatie en het ontvluchten van de stad. Alhoewel sinds de zestiende eeuw buitenverblijven een bekend fenomeen zijn, is ‘buitenplaats’ een vroeg achttiende-eeuwse term, daarvoor werden andere begrippen gehanteerd. In de Nederlandsche Spectator uit 1754 (jaargang 6) kunnen we het volgende lezen: Hoe was vroeger het buitenleven? Die wat hoger traden en meer uitblinken wilden, hadden een hofstede, dat is een heerenhuis nabij de woning van den boer, die ’t land in huur had en meteen op de boomgaard paste. Daar reed men met een grote speelwagen naar toe en daar was men ’s zomers in een heerenhuis deftig gelogeerd. Sedert vijftige jaren is die manier van leven zo veranderd, dat zelfs de naam niet alleen in ongebruik, maar als verachtelijk geworden is, en hij zoude voor zeer ouderwetsch en burgerlijk doorgaan die thans sprak van naar zijn hofstede te gaan, en aan zijn genoode gasten een gering denkbeeld daarvan te geven. Het moet nu een buitenplaats heten. Het land dat daar bij ligt, moet tot lanen, terrassen, sparrenbossen en wildbaan aangelegd worden; de roem moet alleen bestaan in hoeveel morgen zonder voordeel men beplant hebbe.

 

Tegenwoordig wordt veelal de officiële omschrijving van het Ministerie van LNV en OCW uit 1988 gebruikt. Deze is als volgt: Een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel vormen van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten. De samenstellende onderdelen, een ensemble vormend, van terreinen (met beplanting), lanen, waterpartijen en -lopen, gebouwen, bouwwerken en ornamenten zijn door opzet of ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een onlosmakelijk geheel. Onderdeel van de historische buitenplaats vormen die gebouwen, bouwwerken en tuinornamenten, die compositorisch deel uitmaken van het ontwerp of opzet en inrichting van de tuin- en/of parkaanleg dan wel dienen voor gebruik in samenhang met de oorspronkelijke bestemming.

 

Een landgoed is een ruimtelijke eenheid aan elkaar grenzend land met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en met een economische functie, zoals landbouw, wonen, werken, of recreatie. Het wordt gekarakteriseerd door een samenhangend beheer van een combinatie van natuur-, bos-, landbouw-, water- en/of parkelementen, eventueel met gebouwen. Er bestaan ook landgoederen zonder bebouwing, zoals zogenaamde ontginningslandgoederen die als belegging dienden. Een buitenplaats kan zoals gezegd onderdeel vormen van een landgoed, andersom is niet mogelijk. Bij een landgoed domineert het nuttige, bij een buitenplaats het aangename. Dat wil overigens niet betekenen dat alle landgoederen rendabele economische eenheden waren.

 

 

Landgoederen en buitenplaatsen zijn ensembles, samenhangende eenheden met een diversiteit aan structuren en elementen, en aan functies. Ze liggen bij elkaar in een schitterend landschap. Dankzij hun uitgestrektheid creëren ze een bovengemeentelijk netwerk van groen (landschap), rood (bebouwing & infrastructuur) en blauw (water). Op kleine schaal is dit te herkennen op een specifiek landgoed. De gezamenlijkheid is een kracht en biedt volop kansen om met diverse ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit, belevingswaarde, duurzaamheid en economische potentie voor de landgoederenzone én individuele landgoederen te verbeteren. Maar elk landgoed, elke buitenplaats heeft ook zo zijn specifieke karaktereigenschappen waar op maat gesneden kansen bij passen. Deze kunnen op zichzelf staan, maar kunnen ook onderdeel uitmaken van een regionale kans. Het herstel van een park kan bijvoorbeeld behoren tot de ontwikkeling van een grotere groene recreatieve zone. Voor elk landgoed of buitenplaats gelden dus waardevolle kenmerken die in verband staan met de kwaliteiten van de zone als geheel én met kenmerken die specifiek behoren tot het landgoed of de buitenplaats. Dit is de basis van waaruit nagedacht wordt over toekomstige ontwikkelingen en die bepaalt welke kansen van toepassing kunnen zijn.